Hoe kan de rol van de burger in de sociale zekerheid sterker worden? Dat was de centrale vraag in een essaywedstrijd die de Landelijke Cliëntenraad (LCR) organiseerde in samenwerking met het Nederlands Genootschap voor Sociale Zekerheid en tijdschrift over de sociale zekerheid Sociaal Bestek. De jury was blij met de kwaliteit van de inzendingen, zegt Amma Asante, juryvoorzitter en voorzitter van de LCR: ‘De essays getuigen van grote creativiteit, waarbij de een het thema vanuit een persoonlijk perspectief benadert, terwijl de ander de kwestie meer van een afstand beschouwt. De drie prijswinnaars steken erboven uit omdat ze het beste voldoen aan de criteria van de jury: houd je aan het thema, schrijf een prettig leesbaar stuk en maak duidelijk dat je ideeën uitvoerbaar zijn.’

Maarten Camps, jurylid en voorzitter van de Raad van Bestuur van UWV: ‘Het winnende essay bevat goede handvatten om burgers meer te betrekken, en maakt bovenal duidelijk dat het belangrijk is dat burgers gezien en gehoord worden. Dat sluit goed aan bij hoe we bij UWV ook naar mensen proberen te luisteren, bijvoorbeeld door ze op te bellen als ze een bezwaar hebben ingediend; in veel gevallen is dat al voldoende om de klacht weer in te trekken.’

Het LCR wil de aangedragen ideeën meenemen bij de adviezen die de raad geeft - tot op het hoogste niveau, want onlangs schoof Asante aan bij kabinetsinformateur Mariëtte Hamer.

*De drie winnende essays worden gepubliceerd in het juninummer van Sociaal Bestek.

1e prijs - Myrthe Weijman (26), politicoloog

‘De overheid moet weten wat er leeft’
‘In mijn essay staat de vertrouwensbreuk tussen overheid en burger centraal en heb ik gekeken naar manieren waarop de burger meer kan worden gehoord door de overheid. Zo stel ik voor om burgerpraatgroepen en digitale raadgevende referenda in het leven te roepen. Die hoeven er niet toe te leiden dat de overheid ideeën van burgers één op één overneemt. Het gaat erom dat de overheid weet wat er leeft en dat de suggesties van burgers worden meegewogen in de besluitvorming. Mensen hebben nu vaak het idee dat dit niet gebeurt. Het is ook belangrijk dat er meer inzicht komt in de politieke opvattingen van burgers. Deze zijn vaak niet alleen gebaseerd op feiten, maar ook op persoonlijke omstandigheden en de maatschappelijke positie van mensen. Door burgerpraatgroepen kan de overheid inzicht krijgen in de rol die deze factoren spelen.'

2e prijs - Ernst Zegers (32), werkzoekend sociaaljuridisch dienstverlener

‘De overheid moet vaker in gesprek gaan met de burger’
‘Ik ben afgestudeerd op een onderzoek naar het voorkómen van schulden bij mensen met een lichte verstandelijke beperking. Daar kwam ook uit dat ze de communicatie met instanties als lastig ervaren. Steeds meer burgers begrijpen de overheid niet, maar omgekeerd begrijpt de overheid steeds minder wat burgers nodig hebben. Daarom betoog ik in mijn essay dat de overheid veel vaker in gesprek moet gaan met burgers, om zodoende inzicht te krijgen in hoe ze alle verschillende groepen moeten benaderen, zoals mensen met een lichte verstandelijke beperking. Omgekeerd kunnen burgers in die gesprekken te weten komen hoe ze aan de verwachtingen van de overheid kunnen voldoen. Deelname aan die gesprekken zou plaats moeten vinden op basis van inloting, zodat iedere burger een kans krijgt om mee te doen. Wie deelneemt, zou daarvoor een vergoeding moeten krijgen, die geen gevolgen heeft voor uitkeringen of toeslagen. Uit onderzoek blijkt dat een vergoeding een flinke stimulans is voor burgerparticipatie.’

3e prijs - Anja Geurts (54), voormalig ondernemer

‘Ik ben regelmoe’
‘Ik ben mantelzorger voor twee volwassen kinderen met autisme. Ik zag de oproep voor de essaywedstrijd op een moment dat ik er even doorheen zat, omdat mijn dochter voor de zoveelste keer tegen regels en onmogelijkheden was opgelopen, waardoor ze haar opleiding heeft moeten afbreken. Na 24 jaar mantelzorg ben ik “regelmoe”. In mijn essay pleit ik daarom onder meer voor meer maatwerk en soepeler omspringen met de regels wanneer dat kan. Het gaat soms om heel simpele dingen. Als mijn kinderen iets willen regelen met een instantie en er op internet niet uitkomen, dan kun je die instantie bellen. Maar mijn kinderen durven niet te bellen. Dus moet ik dat voor hen doen, maar dat mag niet, omdat zij volwassen zijn. De overheid moet zich veel vaker de volgende vraag stellen: hoe kunnen wij jou, de burger, helpen?’