‘Dat er 2 dingen tegelijk waar zijn. Het aantal is verdubbeld: van 2.729 in 2018 naar 5.666 in 2025. Maar het blijft een kleine groep — 6,5% van alle instromers in 2018, 9,5% nu. Ongeveer 1 op de 10. Het zegt dus meer over de richting dan over de omvang. Bij 60- tot 65-jarigen steeg de instroom van 8.825 naar 12.415: die ene leeftijdsgroep groeide in absolute zin meer dan alle instromers onder de 30 samen. Toch is de stijging relevant. Deze mensen staan nog maar aan het begin van hun werkzame periode, en dat maakt de problematiek groter.’

‘Voor vrouwen worden verschillende verklaringen genoemd: de hoge werkdruk in zorg, welzijn en onderwijs, het combineren van werk met zorgtaken, en het feit dat sommige aandoeningen bij vrouwen later worden herkend. Bij jonge mannen groeit de instroom minder sterk. Zij werken minder vaak in de genoemde sectoren en combineren werk minder vaak met zorg. Maar ook in andere sectoren is de werkdruk hoog, door de gespannen arbeidsmarkt. Bij oudere mannen zien we helemaal geen stijging. Een belangrijke verklaring is dat het aantal mannen van 45 tot 60 jaar dat verzekerd is voor de WIA, de afgelopen jaren is gedaald door een relatief lager aantal geboortes in de jaren 70 en 80. Bij vrouwen daalt dat aantal ook, maar veel minder. Alleen bij 60- tot 65-jarigen groeit de instroom wél: de werkzame beroepsbevolking is daar gegroeid, én de vereenvoudigde WIA-beoordeling voor 60-plussers leidde tot meer instroom.’

‘Van de 1.100 extra instromende mannen tot 45 jaar in 2024 had ruim 6 op de 10 een psychische hoofddiagnose. Bij mannen van 45 tot 60 jaar was dat 1 op de 3, bij vrouwen tot 45 jaar ruim de helft. Maar je kunt het ook omdraaien. Hoe ouder de instromer, hoe vaker de oorzaak ligt in hart- en vaatziekten, het bewegingsapparaat of kanker. Dat risico stijgt nu eenmaal met de leeftijd. Dat het aandeel psychisch bij jongeren zo hoog is, komt dus ook doordat zij die aandoeningen veel minder vaak hebben.
Waárom er meer jongeren met psychische klachten instromen, is een andere vraag. Er zijn ruwweg 4 mogelijkheden: er zijn werkelijk meer klachten, ze worden eerder herkend en gediagnosticeerd, ze worden vaker gemedicaliseerd, of het werk en de omstandigheden zijn veranderd. Welke het zwaarst weegt, kunnen we niet in cijfers uitdrukken. Waarschijnlijk zijn ze alle 4 waar.’

‘Dat de WIA-instroom een late en selectieve graadmeter is voor de gezondheid van werknemers. Wie het na verzuim wél lukt om werk te hervatten, komt er niet in voor. De groep jonge werkenden met psychische klachten is dus veel groter dan deze cijfers laten zien. Wij zien alleen het uiteinde van een veel bredere ontwikkeling.
Het betekent ook dat wat we nu meten, al minstens 2 jaar eerder begon. De wachttijd start op de eerste dag van arbeidsongeschiktheid, en het kan best zijn dat iemand toen al veel langer problemen in het werk had. De stijging in 2024 en 2025 gaat over mensen die in 2022 en 2023 ziek zijn gemeld.’

‘Aan de voorkant: preventie dus. Slechts een klein deel van alle ziekmeldingen leidt uiteindelijk tot een WIA-aanvraag. Juist daardoor heeft een kleine verbetering in preventie een groot effect aan de achterkant. En het gaat niet alleen om aantallen, maar ook om tijd. Wie op zijn dertigste instroomt, heeft nog minstens 37 jaar te gaan tot de AOW-leeftijd. Dat maakt een kleine groep tot een groot vraagstuk. Winst aan het begin van het ziekteproces betekent dat er veel minder mensen bij UWV terechtkomen voor een WIA-beoordeling. Dat is vooral van belang voor de mensen zelf. Maar het scheelt ook in onze schaarse beoordelingscapaciteit, en helpt zo de achterstanden terug te dringen.’